naar overige artikelen

Remedial teaching, een kwestie van geven en ontvangen

door Jan Ruigrok


Gezonde relaties kennen een evenwicht tussen wat mensen geven en ontvangen. Dit geldt voor remedial teachers zowel als voor leerlingen. Vaak lijkt het er op dat rt’ers het gevoel hebben in hun werk meer te geven dan te ontvangen, terwijl hun leerlingen als ‘probleemleerlingen’ vaak zoveel moeten ontvangen dat zij geremd worden in hun behoefte aan anderen te geven. Een verrassende kijk voor beiden om aan een nieuw evenwicht te werken, dient zich aan.

Op een studiebijeenkomst met remedial teachers vroeg ik hen na te denken over wat zij in hun werk geven en ontvangen. Het werk kost vaak meer tijd dan waar zij op grond van hun arbeidsovereenkomst toe verplicht zijn. ‘Je bent lang bezig op school; vaak langer dan van je verwacht wordt en daarbij kom je regelmatig zaken tegen die avonden en soms ook, nachten in je hoofd rondspoken.’ Veel energie gaat ook zitten in het navigeren en laveren. Bij het navigeren krijg je te maken hebben met koersen die niet altijd dezelfde zijn. De koers die de ouders met hun kind voorstaan; de koers die de school vaart en daarbij je eigen koers als rt’er. Als die koersen grote verschillen vertonen, betekent dat voor de rt’er dat hij moet laveren tussen de belangen van die van het kind, de ouders en de school. En niet zelden gaat dit ten koste van het belang van de rt’er zelf. Wat ik leerde van de rt’ers was dat het ware meesterschap niet alleen bestaat uit het ondersteunen van leerlingen die stagneren in hun ontwikkeling, maar evenzeer uit het communiceren met leraren, ouders en school. ‘Het werk met die leerlingen vind ik heerlijk, maar al dat gezeur er omheen nekt me vaak’.
Het is een vak dat veel vraagt; of in andere woorden; een vak waarin je bereid en in staat moet zijn veel te geven.

‘Waar doe je het dan allemaal voor?’, vraag je je af. Over de financiële vergoeding deden de rt’ers wat lacherig. Geld is voor de meesten van hen niet de belangrijkste drijfveer. De voldoening zit eerder in wat je ontvangt van anderen. ‘De glimlach van kind doet je beseffen dat je leeft’ zong Willy Alberti in de zestiger jaren; voor rt’ers nog steeds een waarheid als een koe. Erkenning voor je wat je doet, van kinderen, ouders en leerkrachten, zijn wezenlijke bestanddelen van het werk. Om het wat verheven te stellen: veel mensen ontlenen een deel van hun bestaansrecht aan hun werk: daarin merk je dat je iets betekent voor anderen en dat je niet voor niks op deze aardbol rondwandelt.

Ik vroeg de rt’ers zich voor te stellen dat ze een gewicht van 10 kilo moesten verdelen over de twee schalen van de balans van geven en ontvangen. Nadat ieder zijn verdeling had gemaakt, werd er een gemiddelde berekend. Geven stond op 6,7; ontvangen op 3,3. Uiteraard betrof het een simpel uitgevoerd testje met een allesbehalve wetenschappelijke waarde, maar het gegeven is interessant genoeg om bij stil te staan. Zeker wanneer je het bekijkt vanuit de visie van contextuele begeleiding, die er vanuit gaat dat een relatie pas gezond is wanneer er een balans is tussen geven en ontvangen. Wanneer dit evenwicht verstoord is, of wanneer mensen niet in staat zijn naar een evenwicht toe te werken, wordt hen onrecht aangedaan.

Elles is rt’er op scholengemeenschap. Ze heeft een weektaak van 22 uur, maar werkt in de praktijk 26 tot 28 uur per week. Ze heeft het idee dat ze niet in de school, maar er naast staat. ‘Leerproblemen zijn bij ons op school goed geregeld, daar hebben we onze remedial teacher voor’, lijkt de school vaak naar de buitenwereld te communiceren met als ondertoon ‘en daar hoeven wij als leraren ons dus niet al te druk over te maken’. Wanneer ze ’s middags na vier uur nog met een leerling aan het werk is, zwaait steevast de conciërge met zijn sleutelbos voor haar raam als dringende uitnodiging het pand ‘z.s.m.’ te verlaten. De werksituatie legt grote druk op Elles en werkt door in haar gezin, waar ze minder emotioneel beschikbaar is voor haar kinderen en partner. In gesprekken met haar supervisor, wordt duidelijk dat het thema ‘niet serieus genomen te worden’ sterk aanwezig is. Haar huisarts herkent een aantal depressieve klachten.

Wanneer mensen onrecht wordt aangedaan, bijvoorbeeld zoals bij Elles door een gebrek aan erkenning van de docenten de schoolleiding en conciërge, kan dat leiden tot ‘destructief gedrag’. Hiermee bedoelen we dat mensen vanuit het onrecht dat hen is aangedaan, anderen onrecht aandoen: door de pijn die jou is aangedaan, voel je de pijn niet meer die jij anderen aandoet. Je ziet dit bijvoorbeeld bij pesters, die meer dan gemiddeld zelf ook slachtoffer zijn van pestgedrag of andere vormen van mishandeling. Bij Elles wordt haar destructief gedrag zichtbaar in de verminderde emotionele beschikbaarheid voor haar partner en kinderen. Ze doet hen daarmee tekort en uiteraard ook zichzelf. Destructief gedrag kan zich richten tegen anderen en tegen jezelf. Na een rotdag neemt iemand een borrel teveel; jongeren hangen blowend op een winkelcentrum; Elles doet zichzelf onrecht aan wanneer ze depressieve klachten ontwikkelt.

Kijkend naar de balans van geven en ontvangen, betekent dat voor Elles dat zij op twee manieren kan werken aan een meer evenwichtige situatie in haar werk, die wanneer die zou slagen ook meer evenwicht in haar privé-situatie zou brengen. Het komt erop neer te ontvangen waar je naar eigen inzicht recht op hebt óf op minder geven. In theorie logisch en simpel, in de praktijk vaak allesbehalve eenvoudig.
Het ontvangen waar Elles behoefte aan heeft, zit natuurlijk niet in geld of in louter materiele zaken. Het is de behoefte gezien te worden: ’het er toe doen.’ Vaak is het lastig te vragen wat je het meest behoefte aan hebt: erkenning. Elles kan strategieën ontwikkelen om zichtbaar te maken wat ze doet; om er voor te zorgen dat mensen niet meer om haar heen kunnen. Wanneer een conciërge met de sleutels rammelt, kan ze het pand ‘z.s.m.’ verlaten of vragen waar hij is mee bezig is, en dat hij wanneer hij zo graag weg wil, hij de sleutels bij haar mag achterlaten. Het zijn twee uitersten en er zijn uiteraard ontelbare alternatieven te bedenken. In het tweede geval ervaart de conciërge Elles haar assertieve gedrag misschien als destructief, maar haar eventuele felheid richt zich wél tot de juiste persoon en komt niet bij het avondeten op het bordje van haar gezinsleden terecht. Het is een levenskunst om op gepaste manier te laten zien wat je geeft en daar erkenning om te vragen. Het is moeilijker die kunst vaardig toe passen wanneer je in je eerste acht levensjaren afgeleerd hebt om naar complimentjes te vissen. Want ‘kinderen die vragen ….’ .

De tweede manier is minder te geven. Vaak is een advies als dit makkelijker gegeven dan opgevolgd. Het lastige is dat we niet met één balans te maken hebben, maar met vele. Wat zou het voor Elles betekenen als ze haar werk tot haar contractuele 22 uur zou beperken? ‘Die kinderen mogen daar nooit de dupe van worden’, is de eerste gedachte die wellicht bij haar opkomt. De school legt druk op haar schouders, maar ook haar leerlingen, hun ouders. En uiteraard spelen ook haar eigen kinderen en partner mee. Haar leven lijkt, evenals dat van de velen van ons, op dat van een circusartiest die een eindeloze rij schoteltjes op stokjes, in evenwicht moet houden.

Een wezenlijke balans is die tussen kinderen en hun ouders. Dat merkte Elles toen zij met haar supervisor haar behoefte om serieus genomen te worden onderzocht. In het gezin waar zij met haar broer en zus was opgegroeid, was zij de jongste en haarfijn had ze aangevoeld dat veel dingen met haar niet besproken werden om dat zij daar toch te jong voor was. Vaak gebeurde dit met de beste bedoelingen om de jongste dochter of het ‘kleine zusje’ te beschermen, vaak ook werd ze haast routinematig vergeten. Laatst merkte ze dat bij de sneltoetsen van haar ouders’ telefoontoestel wél haar broer en zus en zij niet geprogrammeerd stond. ‘Kleinigheden’ als deze deden pijn. Elles moest er voor haar gevoel heel haar leven voor vechten om serieus mee te tellen en omdat dit in haar ouderlijk gezin niet lukte, zette ze de strijd op haar werk voort. Daar zocht ze de erkenning, die ze thuis miste. Omdat ze een prima band had met haar ouders, kon ze dit met hen bespreken. Vader en moeder herkenden haar verhaal en realiseerden zich hoe pijnlijk dit voor haar moest zijn geweest. ‘Dat van die telefoon is gek eigenlijk’, zei pa, ‘je programmeert zo’n ding voor in noodgevallen en dan denk ik niet direct aan m’n kleine meisje; maar we zijn nu wel dertig jaar verder. Ik zet je er meteen in’. Elles kreeg daarmee van haar ouders erkenning voor het onrecht dat haar was aangedaan. Na deze erkenning merkte Elles dat het thema serieus-genomen worden, op haar werk vrijwel niet meer speelde.

Hierboven keken we vanuit het perspectief van de rt’er naar de balans van geven en ontvangen. Vanuit leerlingen levert het minstens zulke interessante invalshoeken op.
Ook kinderen streven naar een evenwicht tussen geven en ontvangen. Voor veel kinderen met leerproblemen kan gelden dat zij zich geremd voelen in hun mogelijkheden om te geven, en dan met name aan hun ouders. Welk kind is niet graag een kind waar zijn ouders trots op zijn?
Leerstoornissen zijn ook een vorm van onrecht dat kinderen wordt overkomt. Hoewel het doorgaans niet door anderen is aangedaan, maar het eerder een negatief lot is uit de loterij van het leven is, kan ook dit leiden tot destructief gedrag.
Kinderen met leerstoornissen of achterstanden voelen vaak, op de meest subtiele manier dat hun ouders zich zorgen om hen maken en heel veel energie stoppen in goede ondersteuning en het zoeken naar begeleiding. In hun diepste vezels en soms overduidelijk, kunnen zij het gevoel krijgen dat ze niet voldoende in staat zijn aan hen te geven.
De tragiek van deze kinderen kan zijn dat, terwijl zij zich geremd voelen in hun mogelijkheden te geven, zij juist nog meer moeten ontvangen, van hun ouders, de school, de rt’er en ga zo maar door. De balans voor deze kinderen slaat dan door naar het ontvangen. Een van de problemen van veel kinderen met leerstoornissen is dan ook niet dat zij te weinig steun ontvangen, maar dat zij niet de mogelijkheden hebben, evenredig te geven aan anderen. En daarin wordt deze kinderen onrecht aangedaan. Waar veel rt’ers zeggen meer te geven dan te ontvangen, geldt voor deze kinderen dat zij meer moeten ontvangen dan dat zij kunnen geven.

Dit leidt tot een slotconclusie die zowel de leerling als de rt’er de wind in de zeilen kan geven. Die conclusie is dat de rt’ers zich actief moeten open stellen voor wat kinderen aan hen, aan hun ouders en anderen geven. Door tijdens een oefening eens lekker achterover te gaan zitten om te genieten van een kind, draagt de rt’er bij aan de ontwikkeling van de leerling. Ook in contacten met ouders is het belangrijk je niet enkel te richten op zaken die nog moeten verbeteren. Wanneer een ouder een gesprek met een rt’er afrondt met het idee, het gaat misschien niet allemaal 100%, maar het is wel een kind waar ik apetrots ben, groeit niet alleen de ouder, maar ook het kind en op een bescheiden derde plaats de rt’er.
Wanneer de rt’ers meer op de schaal van het ontvangen kunnen leggen en hun leerlingen meer op die van het geven en werken beiden aan een hernieuwd evenwicht. Een koers die vaak leidt tot een behouden vaart.

Jan Ruigrok is adviseur bij KPC Groep in ’s-Hertogenbosch en geeft trainingen op het gebied van leerlingbegeleiding en communicatie vanuit contextueel perspectief.

Literatuur:

Boszormenyi-Nagy, I. & B.R. Krasner, 1994, Tussen geven en nemen. Haarlem: De Toorts

Michielsen M., W. van Mulligen & L. Hermkens (red.), 1998 Leren overleven in loyaliteit. Leuven, Amersfoort: Acco

Mulligen W. van, P. Gieles & A. Nieuwenbroek, 2001 Tussen thuis en school Leuven, Leusden: Acco


naar overige artikelen