naar overige artikelen

Als straffen niet meer helpt!

Drs. Ard Q.A. Nieuwenbroek

Ieder schooljaar kom je ze tegen. Leerlingen die door hun gedrag leraren tot wanhoop brengen. Niets lijkt meer te helpen. Straffen en belonen zijn veelvuldig toegepast, zonder noemenswaardig succes. Een schorsing staat voor de deur. Maar ook deze maatregel lijkt geen enkele invloed te hebben op het gedrag. Ook de ouders zijn de wanhoop nabij. Vaak is op zo?n moment hun aanvankelijke medewerking veranderd in een stroom van verwijten. Mentor en ouders staan dan vaak inmiddels lijnrecht tegenover elkaar in plaats van bondgenoten te zijn in een gemeenschappelijk belang: de ontspoorde leerling, hun kind.

Zo'n negatieve spiraal kan meestal niet worden doorbroken. Schorsing en verwijdering van school zijn dan het gevolg. Scholen beschouwen dit vaak als een nederlaag: het is niet gelukt deze leerling binnenboord te houden. De verwijderde leerling kent een slechte prognose: uit onderzoek blijkt dat ze vaak gaan horen tot de groep voortijdig schoolverlaters. Immers: ook op een eventuele andere school zet zich het stagnerende gedrag voort, wat weer leidt tot de zo bekende negatieve spiraal.

Hoe kan het anders? Zijn er mogelijkheden om de begeleiding van zo?n leerling methodisch anders aan te pakken? In de praktijk valt ons op dat veel scholen bij dit type leerlingen, met veel afwijkend negatief gedrag, uitsluitend vast houden aan een pedagogische lijn. Straffen, bemoedigen of belonen zijn daarbij veel gebruikte strategieën. Als begeleiding is dit vaak effectief bij de meeste leerlingen. Bij leerlingen met aanhoudend negatief gedrag past deze aanpak op den duur niet meer.

Opvoeden en hulpverlenen
Een mentor heeft met ten minste twee rollen te maken: opvoeder en hulpverlener. Het verschil is duidelijk. Een opvoeder is niet alleen verantwoordelijk voor de opvoeding, maar ook wat de ander met zijn opvoeding doet. De hulpverlener is alleen verantwoordelijk voor de kwaliteit van zijn hulpaanbod. Een ander groot verschil is dat bij opvoeding normen en waarden centraal staan. Eigenlijk is opvoeding het overdragen van normen en waarden. Als pedagogisch-didactisch instituut heeft een school ook de (overigens door ouders gedelegeerde) taak normen en waarden over te dragen. Bij hulpverlenen zijn er uiteraard ook normen en waarden, maar spelen deze een andere rol. De hulpverlener houdt ze 'op zak' en plaatst ze als het ware in de zijlijn van het hulpverleningscontact.

Als de pedagogische begeleiding niet meer werkt is hulpverlening een betere methodische aanpak. Voor een leerling moet het wel helder zijn dat de mentor, of leerlingbegeleider, kiest voor de rol van opvoeder of die van hulpverlener. Deze keuze, die niet altijd gemakkelijk is, gaat vooraf aan elke opvoedings- of hulpverleningssituatie. Aan de hand van enkele voorbeelden zullen we de gevolgen van deze keuze voor de houding van de mentor of leerlingbegeleider verduidelijken. Daaruit blijkt tevens dat de aanpak van een probleem samenhangt met de rol die een begeleider inneemt.

Brugklasleerling Kevin boekt na de Paasvakantie slechte resultaten. Hij is gestopt met huiswerk maken en wordt per week gemiddeld vier keer de klas uitgestuurd. Op school vermoedt men dat dit wel eens verband kan hebben met de ontwikkelingen bij Kevin thuis. Zijn vader en moeder zitten midden in een echtscheidingsprocedure.

Opvoeden:
De mentor bespreekt de schoolsituatie met Kevin. Hij merkt daarbij op dat de terugloop in cijfers en gedrag wellicht te maken heeft met de situatie thuis. Toch moet Kevin de moed op school maar niet opgeven. Hij stelt Kevin voor dat hij samen met hem ervoor gaat zorgen dat hij dit jaar toch over zal gaan. Iedere dag moet Kevin even bij hem komen om hem zijn leerresultaten te laten zien.

Hulpverlenen
De mentor bespreekt de schoolsituatie met Kevin. Hij vraagt hem hoe hij zich op dit moment voelt. Kevin antwoordt dat hij nogal bezig is met de scheiding van zijn ouders en dat hij daardoor niet veel tijd overhoudt om zijn huiswerk goed te maken. Wel wil hij dit jaar perse overgaan. Anders verliest hij zijn vrienden en raakt hij teveel achter op school. De mentor zegt dit te snappen en vraagt hoe Kevin een en ander denkt te combineren. Deze vertelt hem dat zijn ouders hem daarbij willen en zullen helpen. De mentor denkt daar anders over, maar spreekt dit niet uit. Ook probeert hij zijn twijfels niet op non-verbale wijze te laten merken. Hij antwoordt Kevin, dat hij het toch wel getroffen heeft met ouders die zelfs onder deze moeilijke omstandigheden extra begeleiding willen geven.

In een daarop volgend gesprek met Kevins ouders sluit de mentor aan op de opmerkingen van Kevin over de begeleiding van zijn ouders. Hij vraagt hen hoe de school kan aansluiten bij deze begeleiding. Daaruit ontstaat een intensief gesprek waarbij ouders en mentor, in aanwezigheid van Kevin, hun samenwerking als bondgenoten concretiseren. En Kevin: die is tevreden dat zijn ouders, op zijn minst door de begeleiding, samen iets voor hem ondernemen.

Methodische tips voor hulpverlenen:

Rolverduidelijking
Maak een leerling zo snel mogelijk duidelijk dat je spreekt als hulpverlener. Het is erg verwarrend voor de leerling als hij een opvoeder verwacht en een hulpverlener krijgt. Als er geen rolverduidelijking plaatsvindt dan is de kans op onduidelijke situaties erg groot. Indien mogelijk vindt rolverduidelijking plaats in overleg met de leerling. Het is bijvoorbeeld mogelijk, nadat de leerling zijn verhaal heeft verteld, te zeggen: 'Als ik je verhaal beluister, kan ik op twee manieren reageren, de ene manier is als opvoeder, de andere is als hulpverlener'. Na deze inleidende zin volgt een uitleg over het verschil tussen beide rollen. Zou de leerling, bijvoorbeeld in een ernstig conflict met een docent, kiezen voor de mentor als opvoeder, dan zal de mentor hem als opvoeder inzicht geven in zijn handelen en eventueel als bemiddelaar optreden tussen de leerling en de docent. Als hulpverlener zal hij hem het aanbod doen te helpen bij het zelf oplossen van zijn conflict met de docent. Hieruit blijkt opnieuw het verschil in verantwoordelijkheden tussen opvoeden en hulpverlenen.

Dienstbare deskundigheid
Soms verleidt zijn deskundigheid de mentor/leerlingbegeleider tot een houding van: 'Je kunt me nog meer vertellen, maar ik zie het anders, en mijn waarheid is De Waarheid!'. Ook als probeert hij nog zo met de leerling mee te gaan, zijn houding, zijn innerlijke boodschap verraadt hem. Non-verbaal is de boodschap: 'Je kunt me nog meer vertellen, ik weet het beter'. Bij een basishouding van dienstbare deskundigheid probeert een mentor, bij een verschil van interpretatie van een verhaal van de leerling, niet de presentatie van die werkelijkheid van de leerling te ontmaskeren, maar gaat hij daar in mee. Als een leerling zijn thuissituatie als een grote rotzooi omschrijft en de mentor weet toevallig dat het (volgens zijn normen en waarden!) anders is, dan is het onjuist zijn werkelijkheid tegenover die van de leerling te plaatsen. Exploreer de zijne door te vragen: 'Hoe is het om in zo'n rotzooi te leven?'. Onderzoek wat de leerling er voor over heeft om van die rotzooi een voor hem acceptabel leefwereld te maken. Ga na welke stappen daarvoor nodig zijn.
In vaardigheidstrainingen voor mentoren wordt bij deze dienstbare deskundigheid vaak de vraag gesteld: 'Dat is toch niet eerlijk?'. De vraag is echter wat eerlijkheid betekent, zeker voor de betrokken leerling. Welke functie heeft bijvoorbeeld het opgeklopte verhaal? De werkelijkheidsomschrijving van de mentor ('Het is daar geen rotzooi') is gebaseerd op zijn normen en waarden, en dus voor de hulpverlening aan de leerling niet interessant. De enige werkelijkheid die telt is die van de leerling. Daar moet mee gewerkt worden. Die moet worden veranderd. Dat was de hulpvraag. Als de werkelijkheidsbeschrijving van de leerling een wezenlijke aanslag betekent op het waarden- en normensysteem van de mentor/leerlingbegeleider, dan moet hij de hulpverlening stoppen en de leerling verwijzen. Dat is ook eerlijk.


naar overige artikelen