naar overige artikelen

Agressie: een schreeuw om verbinding!

Op scholen hebben we steeds meer te maken met agressieve leerlingen. Wat kan een school doen om op effecieve wijze met dit probleem om te gaan?

Wim van Mulligen en Ard Nieuwenbroek


Niets lijkt ze meer te interesseren. Agressief en onverschillig trekken ze door het leven. Criminele jongeren die, ook in de gevangenis, geen enkele spijt of betere voornemens tonen. Ze lijken geen enkel schuldgevoel te hebben. Dikwijls tonen ze slechts heel even spijt over een gemaakte fout en vallen dan weer snel in herhaling van het destructieve, vaak criminele, gedrag. Meestal zijn ze opgegeven door school en hulpverleners.

Vanuit ons therapeutisch werk werden we steeds meer uitgedaagd tot een zoektocht naar een meer effectieve aanpak. Op enig moment was er een korte ontmoeting met een jeugdige delinquent, die ons op een nieuw spoor zette. Pratend over zijn gewelddadige geschiedenis raakten we kennelijk opeens een gevoelige snaar.

Hij zei: “En ze moeten met hun poten van mijn vader afblijven. Die klootzakken hebben hem eens tien dagen vastgehouden omdat hij met zijn poten niet van mijn broertje af kon blijven. Nou, het is geen lieverdje, maar zo grof als ze met hem zijn omgegaan: nee, dat kan je niet maken!”.

Zijn emotie liep hoog op. Merkwaardig genoeg, daar we vanuit een andere bron zeker wisten dat ook hij langdurig door zijn vader was mishandeld. En hijzelf nota bene voor mishandeling al driemaal een veroordeling achter de rug had. Kennelijk is veel ‘toegestaan’ als het maar niet om zijn vader gaat.

Kinderen zijn loyaal aan hun ouders. Anders dan met hun vrienden is deze loyaliteit door niets en niemand te doorbreken. Ook al hebben ouders kun kind verwaarloosd, dan nog blijft een kind trouw aan diens ouders. Des te slechter de ouders, des te loyaler de kinderen. Vaak tegen de stroom in, misschien juist wel omdat kinderen zo intens verlangen datgene in hun leven te ontvangen, waarop ze zo lang tevergeefs hebben gewacht: het hen, door de geboorte, toekomende existentiële recht op liefde en verzorging.

Op een dag ontmoetten zijn we aan het werk in een gesloten jeugdinrichting. Het is etenstijd. Een van de opgenomen jongens, met een zwaar incestverleden en een veroordeling voor geweldpleging, eet ‘slechts’ met een lepel zijn warme maaltijd. Een groepsleider maakt de opmerking, dat het beter is om met mes en vork te eten, maar dat de jongen dat thuis wel niet geleerd zou hebben. Op dat moment zwiept er een mes door de eetzaal, richting groepsleider…

Geven en ontvangen
Kinderen worden geboren en ontvangen daarmee van hun ouders het leven. Daarmee ontstaan tegelijk twee ‘rechten’: het recht van geven en het recht van ontvangen. Kinderen hebben gerechtigde aanspraak op liefde en verzorging van hun ouders en willen niets liever dan als ‘gevende’ kinderen hun ouders in staat te stellen om van hen te ontvangen. Voor een gezonde ontplooiing van een kind is het belangrijk niet alleen zorg en aandacht van ouders te ontvangen, maar ook zorg en aandacht te geven. De zelfwaardering van een kind groeit, wanneer de ouders laten merken dat zij baat hebben bij hetgeen het kind investeert door wat hij is en wat hij doet. Zo ontwikkelt zich bij een kind het besef ‘Ik doe er toe!’. Als ouders dit niet (kunnen) ontvangen, dan ontstaat er een vacuüm. Het zelfconcept van een kind wordt onvoldoende gevuld, en daarmee raakt hij uit evenwicht met de omgeving. Want een kind kan natuurlijk moeilijk ‘zonder schuld’ wel geven aan ontvangende anderen, als de eigen ouders daartoe niet in staat lijken te zijn.

Sommige ouders hebben al moeite genoeg om zichzelf in balans te houden. Ze hebben zelf als kind onvoldoende ontvangen of kunnen geven aan hun ouders, en vragen hun kind steeds maar weer en onbeperkt in hen te investeren. Zonder hen daar overigens voor te (kunnen) erkennen. Zo’n kind krijgt bijvoorbeeld vaak te horen dat het de schuld is van alle ellende bij en van de ouders. Het krijgt de schuld toegeschoven en wantrouwen komt in de plaats van zelfvertrouwen.

Zo maken kinderen soms al vroeg in hun leven kennis met onrecht. Door onrecht verwerft iedereen, dus ook deze kinderen, destructief gerechtigde aanspraak. In gewone taal: ‘Mij is iets aangedaan en ik heb het recht dat dat weer goed gemaakt wordt.’ Je zet het iemand betaald. Je zet het de wereld betaald als dat niet gebeurt. In het dagelijks leven komen we dat allemaal vele malen tegen. Een trein, die een minuut te vroeg voor je neus het station uitrijdt. De inbraak in je huis, waarbij dierbare foto’s zijn gestolen. Een ziekte die een jonge vader genadeloos treft.

Nadat hij een bejaarde vrouw onbarmhartig van de fiets heeft getrokken en vervolgens beroofd, is Kevin (15 jaar) aangehouden en krijgt hij zijn eerste verhoor. Wat de politie het meest verbijsterd, en ook kwaad maakt, is dat Kevin op geen enkele manier spijt toont. Het lijkt hem niet te interesseren dat het slachtoffer op datzelfde moment op de operatietafel een zware heupoperatie ondergaat. Schouderophalend mompelt hij alleen iets als ‘dat is haar zaak’. Ook later in de rechtszaal is er geen spoor van berouw, wat de kinderrechter in hoge mate irriteert. Uit de gezinsrapportage blijkt dat Kevin met zijn moeder tussen zijn zesde en negende levensjaar gemiddeld vier maanden per jaar in een ‘Blijf van mijn lijf huis’ heeft gewoond. Vader is tweemaal veroordeeld voor mishandeling van zijn vrouw, Kevin’s moeder.

In bovenstaand voorbeeld suggereren we geenszins dat de misstap van deze jongen ‘goed te praten’ valt door zijn ervaringen als jong kind met vader, maar laten we zien hoe onrecht vaak ‘onschuldige derden’ wederom onrecht doet.

Aangedaan onrecht geeft recht op genoegdoening: destructief gerechtigde aanspraak. Of dat wordt omgezet in destructief gedrag is een volgende stap. Daar zit de kern van of iemand agressief en vernielend gedrag gaat vertonen, of niet. Boeiend is dat sommigen er ook in slagen om vanuit onrecht te komen tot juist uiterst constructief gedrag. Prachtig voorbeeld is Nelson Mandela. Na 27 jaren van intens onrecht op Robbeneiland slaagt hij erin op constructieve wijze een vitale bijdrage te leveren aan zijn land, ja zelfs aan de mensheid.

Gedrag, voortkomend uit de destructief gerechtigde aanspraak, kan een kind op zichzelf richten. Hij wordt depressief, raakt verslaafd aan drugs, stopt met leren of doet een suïcide poging. Ook kan het gedrag zich richten op de maatschappij in de vorm van vernielingen. Naar onschuldige derden richt zich dit destructieve gedrag door zinloos geweld, aanrandingen (zoals Kevin in ons voorbeeld), pesten of (in een wat mildere vorm) rebels gedrag op school. Leraren zijn vaak, als derden, slachtoffer van het destructieve gedrag van hun leerlingen. Opvallend is dat dit destructieve gedrag zich vrijwel nooit richt tot de ouders. De existentiële loyaliteit weerhoudt kinderen hiervan. ‘Kom niet aan mijn moeder’ zegt een criminele jongere, die net daarvoor een jong meisje heeft verkracht. Iemand die destructief gerechtigde aanspraken heeft, is ongevoelig voor hetgeen hij anderen aandoet, bijvoorbeeld: een agressieve leerling die ‘emotieloos’ en ‘kil’ reageert op zijn medeleerlingen en mentor.

Ook het constructieve gedrag kan een kind op zichzelf richten (succesvol leren), op de maatschappij (zich maatschappelijk verantwoord gedragen) en op derden (een medeleerling helpen met een profielwerkstuk).

Wat zorgt er nu toch voor dat sommige jongeren vanuit het aangedane onrecht juist destructief/agressief gedrag vertonen, en anderen kennelijk een constructieve weg inslaan? In de praktijk hebben we ontdekt dat twee thema’s hierbij van doorslaggevend belang zijn: erkenning en het al of niet kunnen benutten van hulpbronnen.

Erkenning geven aan het aangedane onrecht is een fundamentele daad. Samen met de ander onderzoeken hoe het onrecht heeft plaats gevonden, en hoe de inspanningen van de ander zijn geweest om dit dreigend onrecht teniet te doen. Bijvoorbeeld: erkenning geven aan een kind dat jaren tevergeefs heeft geprobeerd tegelijk vader en moeder te zijn voor zijn ouders, die daar op geen enkele manier erkenning voor hebben gegeven, nee zelfs het kind de schuld geven van hun eigen ongeluk. Of dat een kind niet die affectieve verzorging heeft gekregen, waar hij existentieel recht op had.

In gesprekken met Kevin wordt steeds duidelijker hoe hij jaren, als klein jochie notabene, heeft geprobeerd zijn agressieve vader ervan te weerhouden moeder te mishandelen. Hoe hij het zijn vader zo plezierig mogelijk wilde maken, door voor hem sigaretten te kopen en moeder niet te vertellen dat hij straalbezopen door de stad zwalkte. Meerdere keren is hij zelfs letterlijk tussen vader en moeder in gaan staan. In gesprekken met moeder herkent ze dit gedrag niet. Het zijn de momenten waarop Kevin zijn emoties uit in verdriet. Maar ook dat ziet zijn moeder niet. Haar aangedaan onrecht geeft haar nu weinig mogelijkheden haar zoon ‘recht’ te doen door zijn inzet te erkennen. Pas een half jaar later, als ze zelf meer in balans is geraakt, lukt het haar Kevin heel voorzichtig te zien als ‘helpend kind’, en niet alleen als de zoveelste mannelijke lastpost in haar leven.

Erkenning kan pas door een kind worden opgemerkt en gewaardeerd als wij in staat zijn tegelijk meerzijdig partijdig te blijven, ook dus naar de ouders van dit kind toe. Wanneer we de ouders, onbedoeld , beschuldigen van ‘niet-ouderlijk’ gedrag maakt het voor het kind onmogelijk onze erkenning toe te laten.

Ontschuldiging is dan ook een sleutelwoord waarmee we de ‘schuldige’ ouders als ouders overeind weten te houden. Veelal is een verkenning van de eigen jeugd van deze ouders voldoende om het proces van ontschuldiging in te zetten. Het onrecht wordt daar niet mee recht gepraat maar krijgt een emotioneel aanvaardbare plek, die een kind toestaat zijn destructief gerechtigde aanspraak om te kunnen buigen naar constructief gedrag. Als begeleider ben je zo een hulpbron, en geef je de ander de kans om te ervaren hoe belangrijk hulpbronnen zijn om het proces van erkennen op gang te kunnen brengen. Belangrijk is echter om in dit proces ook op zoek te gaan naar hulpbronnen binnen het gezin of de familie, zodat er geen afhankelijkheid ontstaat en de ander ook gaat leren en ervaren dat het zoeken van hulpbronnen een eigen potentie is, die tegelijk constructief is.

Agressief gedrag is een schreeuw om verbinding. Een verlangen om een onbalans van geven en nemen met de meest dierbaren in je leven, je ouders, in een nieuw daglicht te stellen. Een nieuwe balans die de verbinding met hen herstelt, zodat het onrecht minder pijn doet en niet leidt tot destructief maar tot constructief gedrag.

Scholen kunnen naar agressief gedrag dan ook niet alleen maar kijken vanuit een repressieve benadering. Straffen is noodzakelijk maar op den duur als eenzijdige maatregel vaak niet effectief. Begeleiders in school en jeugdhulpverlening zijn betrouwbaar als ze agressieve jongeren niet onbedoeld slechts bevestigen in hun destructieve gedrag maar juist de professionele ruimte durven te nemen deze leerlingen niet alleen maar gedragsmatig aan te spreken. Een verkenning van hun ervaringen in het leven met recht en onrecht is op den duur effectiever . Daar is moed voor nodig die begint met een dappere attitude en wordt vervolgd met het aanleren van daarbij horende begeleidingsvaardigheden.


drs. Wim van Mulligen en drs. Ard Nieuwenbroek zijn beiden contextueel trainer en therapeut en opleiders aan een nieuwe opleiding ‘Contextuele leerlingbegeleiding’, die is gestart in januari 2002. September 2002 start een tweede groep. Meer info op deze site!



naar overige artikelen