naar overige artikelen

Sociale vaardigheidstraining:
Een duwtje richting leven

Drs. Ard Q.A. Nieuwenbroek

Er worden steeds meer sociale vaardigheidstrainingen gegeven op scholen. Trainers proberen kinderen te leren hoe ze zich beter kunnen gedragen, zodat het kind weer kan functioneren in het onderwijsproces van de school. Steeds vaker wordt de sociale vaardigheidstraining aangegrepen, om leerlingen in het gareel te krijgen. Maar voor sommige kinderen blijkt de training niet het gewenste effect te hebben: ondanks een goede trainer, goed oefenmateriaal en een meewerkende leerling blijkt er voor een aantal kinderen een hardnekkigheid van de problemen te zijn. Het kind kan het aangebodene niet integreren of valt terug in het oude, ongewenste gedrag. De sociale vaardigheidstraining faalt dus af en toe, maar hoe komt dat? Sommige kinderen worden ten onrechte voor een training uitgenodigd. Dat is niet vrijblijvend, want door de aard van het werkelijke probleem kan de mislukte sociale vaardigheidstraing bijdragen aan toekomstige suïcide.

De laatste 10 jaar bieden steeds meer onderwijsinstellingen de mogelijkheid om leerlingen deel te laten nemen aan sociale vaardigheidstrainingen. Kinderen die om wat voor reden den ook tekort komen op het gebied van sociale vaardigheden krijgen middels een training hulp geboden, en leren zichzelf op die manier overeind te houden. De afgelopen twee jaar is de tendens van de sociale vaardigheidstraining veranderd naar een meer pedagogisch perspectief: de training moet de leerling leren hoe zich beter te gedragen, het is een verlengstuk van de opvoedingstaak van de school. Juist hier gaat het af en toe fout in de trainingen. De scholen veronderstellen met deze aanpak een betere opvoeder te zijn, ze pretenderen aan te vullen wat het kind thuis mist. Het doel om het kind sociaal vaardiger te maken in de omgang met leeftijdgenoten en volwassenen wordt in de praktijk niet altijd behaald. Het sociale disfunctioneren kan er toe leiden dat het kind zich terug trekt. Er is sprake van isolatie, waarbij een kind er naar neigt geen zin meer te hebben in het bestaan.
Ook kan een kind juist agressief gedrag vertonen, wat op zichzelf een bescherming is tegen isolatie en suïcidaal gedrag. Zowel het terugtrekgedrag als de overcompensatie door agressief gedrag kunnen ondanks een goede sociale vaardigheidstraining aanhouden of kort na de training opnieuw de kop opsteken. Blijkbaar is er meer aan de hand, omdat het kind het aangebodene niet kan omzetten in het gewenste resultaat.

Geven en nemen

Er zijn diverse invloeden aan te wijzen, die het sociaal ongewenst gedrag veroorzaken. Je kunt de relationele situatie van het kind vanuit 4 verschillende dimensies bekijken. Allereerst zijn er de feiten van het leven die een rol spelen. Als het betreffende kind komt uit een gezin met een chronisch zieke moeder, waar vader alle zeilen bij moet zetten om het schip drijvende te houden, kan het levensverhaal alleen al voor een overbelasting zorgen. Op psychologisch niveau, de tweede dimensie, kan hetzelfde kind problemen krijgen door de verwerking van de gebeurtenissen die hem in het leven overkomen. Hoe voelt hij zich? Hoe beleeft hij zichzelf en anderen? Op het niveau van interactie, de derde dimensie, kan de storing op het gebied van sociale vaardigheid ontstaan door de bij het gezin behorende communicatiepatronen, bijvoorbeeld omdat de chronisch zieke moeder steun zoekt bij het kind en zodoende de zorg voor haar opeist. De vierde dimensie betreft de billijkheid in relaties. Hoe zit het met de balans tussen geven en nemen in het gezin? Als er veel gegeven wordt, maar weinig ontvangen wordt (of andersom) is er sprake van een onbalans, die zorgt voor stagnatie van de persoonlijke groei van het kind. De onbalans kan uiteindelijk ook zichtbaar worden in de sociale vaardigheden.
De onbalans tussen geven en nemen kan beschouwd worden als een van de belangrijke oorzaken voor uitval bij sociale vaardigheidstrainingen, deze zijn immers toegespitst op het psychologische en het interactieniveau.

Zelfdoding: ultiem destructief gedrag

Als het geven en nemen in de relatie uit balans is geraakt, is het kind in feite onrecht aangedaan, wat ten koste kan gaan van de individuele ontplooiing van het kind. Het kind mist door de onbalans de vrijheid voor het aangaan van sociale contacten: het voelt of het geen recht heeft om anderen aan te spreken of aangesproken te worden. Het kind is niet in staat vertrouwen
naar anderen op te bouwen, waardoor steeds meer wantrouwen ontstaat. Door het feit dat het altijd meer moet geven dan dat het terugkrijgt, kan het kind in feite zijn eigen ouders niet vertrouwen en als gevolg daarvan niemand vertrouwen. Er is sprake van parentificatie: het kind geeft zoveel aan zijn ouder dat hij een soort hulpouder wordt. Het is niet passend wat het kind geeft. Als de ouder vervolgens niet ziet dat het kind zoveel geeft, zal het kind niets terugkrijgen en vervolgens steeds meer gaan geven, in de hoop dan wel iets terug te krijgen. Het kind 'mag' de wereld niet in, omdat hij beschikbaar moet zijn voor de ouder. De onbalans die ontstaan is kan zorgen voor een negatief zelfbeeld, een gevoel van schuld en schaamte, dat kan leiden tot destructief gedrag, het sociaal onwenselijke gedrag dat op school is gesignaleerd. Het destructieve gedrag kan in een ultieme vorm zelfs leiden tot zelfdoding.
De school die een rol pretendeert als heropvoeder, zal zeker bij kinderen met een onbalans tussen geven en nemen geen resultaat boeken. De school mag niet pretenderen dat het maar goed is dat de school er nog is die de 'betere ouder' kan zijn, dat er nog iemand is die in staat is te zorgen voor een goede opvoeding. Kinderen blijven uiteindelijk altijd trouw aan hun ouders. En wat zal de reactie van ouders zijn als ze min of meer te horen krijgen dat de school gaat proberen het kind her op te voeden? Ligt het niet meer voor de hand dat de reactie een stomp voor de kop zal zijn in plaats van een 'we hopen dat het lukt'?
Een kind wat door een mislukte sociale vaardigheidstraining nog meer het besef krijgt van een isolement loopt daarmee nog meer de kans op suïcidaal gedrag.

Ouders als bondgenoot

Zeker gezien het feit dat een kind in onbalans in het meest extreme geval kan beslissen niet meer te willen leven, zal er bij de aanpak van sociale angsten zorgvuldig gehandeld moeten worden door de school. Vaak gaat het al fout op het moment dat er beslist wordt dat een sociale vaardigheidstraining gewenst is. Ouders worden met een simpel briefje op de hoogte gebracht en worden dus eigenlijk buiten spel gezet. Als tijdens het diagnostisch gesprek met het kind blijkt dat de verhoudingen van geven en nemen binnen het gezin uit balans zijn, moet de school zich afvragen of plaatsing in een training wel bij het kind past. De kans dat zo'n training het gewenste effect bewerkstelligt is immers klein, omdat het kind de aangeboden trainingsstof niet kan plaatsen in zijn eigen situatie. De school moet trachten bondgenoten te vinden in de ouders door met de ouders het gesprek aan te gaan, waarin aangegeven wordt dat het niet goed gaat op school. De reactie zal zijn; 'ja, bij ons gaat het ook niet'. Ouders zullen de informatie over hun ontspoorde kind als pijnlijk ervaren, maar door ouders in hun waarde te laten zal er uiteindelijk vertrouwen geschapen kunnen worden waardoor ouders bondgenoten worden, die inzien dat er samen naar een oplossing gezocht moet worden. Soms kan het zo zijn dat ouders zelf de onbalans in gaan zien, waardoor de school naar de hulpverlening kan verwijzen. Het is de kunst om de kinderen waar thuis sprake is van een ernstige onbalans in geven en nemen er uit te filteren en goed te verwijzen. Als dat lukt kun je in een aantal gevallen levensreddend zijn.

Bronnen:
1. Leren over loyaliteit, over contextuele hulpverlening, M. Michielsen, W. van Mulligen, L. Hermkens (red.), Uitgeverij ACCO, Leuven/Amersfoort
2. Tussen geven en nemen, over contextuele therapie, I. Boszormenyi-Nagy en B. Krasner, Uitgeverij De Toorts, Haarlem, 1994, oorspronkelijke uitgave 1986


naar overige artikelen